G25 ἀγαπάω
aangenaam vinden
Taal: Grieks

Onderwerpen

Liefde,

Statistieken

Komt 144x voor in de Bijbel.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

agapaō, ww misschien van agan (veel), of cf. φιλέω G05368; TDNT - 1:21,5;


1) van personen
1a) welkom heten, koesteren, gesteld zijn op, houden van
2) van dingen (Joh. 3:19; 2 Tim. 4:10)
2a) aangenaam vinden, met of over iets tevreden zijn


Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

ἀγαπάω, -ῶ, [in LXX chiefly for אהב H157;] to love, to feel and exhibit esteem and goodwill to a person, to prize and delight in a thing. 1. Of human affection, to men: τ. πλησίον, Mt 5:43; τ. ἐχθρούς, ib. 44; to Christ, Jo 8:42; to God, Mt 22:37; c. acc. rei, Lk 11:43, Jo 12:43, Eph 5:25, II Tim 4:8, 10, He 1:9, I Pe 2:17, 3:10, II Pe 2:15, I Jo 2:15, Re 12:11. 2. (a) God's love: to men, Ro 8:37; to Christ, Jo 3:35; (b) Christ's love: to men, Mk 10:21; to God, Jo 14:31; c. cogn. acc., Jo 17:26, Eph 2:4.

SYN.: φιλέω. From its supposed etymology (Thayer, LS; but v. also Boisacq) ἀ. is commonly understood properly to denote love based on esteem (diligo), as distinct from that expressed by φιλέω (amo), spontaneous natural affection, emotional and unreasoning. If this distinction holds, ἀ. is fitly used in NT of Christian love to God and man, the spiritual affection which follows the direction of the will, and which, therefore, unlike that feeling which is instinctive and unreasoned, can be commanded as a duty. (Cf. ἀγάπη, and v. Tr., Syn. §xii; Cremer, 9, 592; and esp. MM, VGT, s.v.)


Bronnen

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks ἀγάπη G26 "liefdefeesten"; Grieks ἀγαπητός G27 "geliefd, geacht, dierbaar, liefde waardig"; Grieks φιλέω G5368 "liefhebben, beminnen, kussen";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Sieraden algemeen