H7760 שׂוּם
put, lay, appoint, give, , set, make
Taal: Hebreeuws

Statistieken

Komt 585x voor in 37 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie



Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

שׂוּמָה perhaps n. f. token of unluckiness, scowl;—2 S 13:32

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H7760 שׂוּם sûwm; or שִׂים; a primitive root; to put (used in a great variety of applications, literal, figurative, inferentially, and elliptically) — × any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, name, × on, ordain, order, paint, place, preserve, purpose, put (on), regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, stedfastly, take, × tell, tread down, (over-)turn, × wholly, work.

Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws יְשִׁימָאֵל H3450 "Jesimiel, Jesimeel"; Aramees שׂוּם H7761 "have, made, named, laid, commanded, give, misc"; Hebreeuws שֵׁם H8034 "naam, reputatie, titel"; Hebreeuws תְּשׂוּמֶת H8667 "verwantschap";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Doneer Aantekeningen bij de Bijbel