Wilde Stier
רְאֵם H7214 "wilde stier, eenhoorn", תְּאוֹ H8377 "wilde stier, antilope",

Zie ook: Beeldbank, Dieren / Fauna, Rund, Zoogdieren,

De wilde stier (Hebreeuws רְאֵם H7214), wordt ook wel met "wilde os", of in oudere vertalingen met "eenhoorn" vertaald. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat het om de uitgestorven oeros (Bos primigenius) gaat.

Inhoud

Bijbel

Dat het om een stier gaat lezen we in Jesaja (Jes. 34:7). In het Oude Testament wordt de wilde stier vooral genoemd vanwege zijn kracht (Job 39:12-13; Ps. 22:22). Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze kracht soms ook symbolisch wordt gebruikt (Num. 23:22; 24:8; Deut. 33:17). Uit de meervoudsvorm hoorns in Psalm 22:22 blijkt dat het dier dus meerdere hoorns had.

Alternatieve benamingen

In oudere vertalingen, zoals de Statenvertaling en de King James, wordt hij "eenhoorn" genoemd, waarbij men uitging van een neushoorn. Dit berust op een foute interpretatie van het woord (→ Terminologie).


Terminologie

Het Hebreeuwse woord רְאֵם H7214 rĕʾēm dat wordt gebruikt is in de LXX overgezet als μονοκέρως monoceros, lett. “eenhoorn” en vandaar overgenomen in de oudere vertalingen. Uit de commentaren blijkt dan dat men dacht aan een neushoorn. Kijken we naar andere passages zoals Deut. 33:17 en Ps. 22:22 dan blijkt dat het dier niet één hoorn heeft maar meerdere. Hoewel sommige neushoorns meerdere hoorns hebben, is vanwege deze beschrijving dit dier onwaarschijnlijk.

De רְאֵם H7214 rĕʾēm is een soort wilde stier of buffel. Men baseert zich hierop omdat in het Akkadisch het woord remu of rīmu ook deze betekenis heeft (E. Klein, p. 600; J. Heise, p. 183), terwijl in het Aramees het רֽאֵמָא rʾēmāʾ is en ook de aanduiding voor een stier is (E. Klein, p. 600). Terecht zien we dan ook dat in alle moderne woordenboeken tegenwoordig רְאֵם als een wilde stier wordt aangeduid (bv. P. Broers, p. 337).

Een ander Hebreeuws woord dat soms wordt vertaald met wilde stier is תְּאוֹ H8377 tĕʾô, welke in Deuteronomium 14:5 en Jesaja 51:20 voorkomt. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat het hier om de oryxen of spiesbok (Oryx), een antilope, gaat.

Determinatie

De term wilde stier is een nogal weids begrip, omdat in het verleden diverse soorten wilde runderen in het Midden-Oosten aanwezig waren. Voor de determinatie van תְּאוֹ H8377 tĕʾô, zie antilope.

Dat de רְאֵם H7214 rĕʾēm een wilde stier is, kunnen we opmaken uit Jesaja 34:7 "Met hen zullen de wilde ossen neervallen, en de jonge stieren met de sterke stieren" (HSV) waar ze samen worden genoemd met de varren ("jonge stieren") en de machtigen ("sterke stieren" en waarmee mogelijk de leiders van een kudde wordt bedoeld. cf. NETBible). Ook kan dit worden afgeleid van de reliëfs op de Ishtar-poort en andere toegangspoorten (M.J. Boda, p. 467), de vele jachttaferelen, de afbeeldingen hiervan op gebruiksvoorwerpen (E.E. Herzfeld, p. 51, 56, 68, 175) en gevonden inscripties (M.J. Boda, p. 458). Ook het ideogram am am dat hiervoor wordt gebruikt onderscheidt zich alleen van de gewone stier gud gud omdat het ideogram van bergen erin is aangebracht (R. Pumpelly, p. 360-361). Ook in de Joodse mythologie wordt deze connectie gemaakt (→ Alinea Jodendom).

De oeros (Bos primigenius), waarvan de hedendaagse runderen afstammen, had een verspreidingsgebied van Europa, Midden-Oosten, Azië en Noordelijk Afrika (IUCN, Bos primigenius). Het laatste exemplaar stierf aan het begin van de 17de eeuw in Polen door de intensieve jacht (Mieczyslaw Rokosz', "History of the Aurochs (Bos Taurus Primigenius) in Poland" in Animal Genetics Resources Information, (1995), vol. 16 p. 5-12).

De steppenwisent (Bison priscus) was al eerder uitgestorven, zodat deze niet in aanmerking komt voor identificatie. Ook omdat de horens niet naar voren zijn gericht, zoals we op de afbeeldingen van de rĕʾēm wel zien.

De ondersoort van de oeros Bos primigenius primigenius kwam wel voor in het Midden-Oosten en wordt op dit moment meestal geïdentificeerd op basis van bovengenoemde argumenten voor de rĕʾēm.


Jodendom

In een midrash (Mid. Tehilim, 195, 395, 408) wordt verteld dat David, toen hij op een keer de kudde van zijn vader hoedde, de hoorns van een slapende re'em verwarde met een berg (R. Graves, Hebrew Myths,  Hfd. 7 The Reem and the Ziz).


Geschiedenis

Op Mesopotamische reliëfs die men heeft gevonden is te zien dat koning Assurnasirpal jacht maakte op een soort stieren die ze rīmu noemden. Verder kan men aan de hand van afbeeldingen (zoals op de Ishtar-poort) zien dat met ראם zo'n soort dier wordt bedoeld. Van farao Thutmoses III (15de eeuw v.C.) wordt vermeld dat hij 75 stieren doodde tijdens de jacht. Ook in Ugaritische teksten (1400 v.C.) maakt melding van de jacht op deze dieren.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!