Eenhoorn
רְאֵם H7214 "wilde stier, eenhoorn", תּוֹעָפָה H8443 "hoorn",

Zie ook: Beeldbank, Neushoorn, Wilde Stier,

Eenhoorn, een (niet bestaand) dier afgebeeld als een paard met een lange hoorn op het hoofd.

→ Zie het hoofdartikel wilde stier

Inhoud

Bijbel

In oudere vertalingen, zoals de Statenvertaling en de King James, wordt regelmatig de "eenhoorn" genoemd, waarbij men uitging van een neushoorn. Dit berust op een foute interpretatie van het Hebreeuwse woord. Het woord רְאֵם H7214 rĕʾēm dat wordt gebruikt is in de LXX namelijk overgezet als μονοκέρως monoceros, lett. “eenhoorn” en vandaar overgenomen in de oudere vertalingen. Uit de oudere commentaren blijkt dan dat men dacht aan een neushoorn, mogelijk de  Indische neushoorn (Rhinoceros unicornis) en niet aan het mythische dier. Kijken we naar andere passages zoals Deut. 33:17 en Ps. 22:22 dan blijkt dat het dier niet één hoorn heeft maar meerdere. Hoewel sommige neushoorns meerdere hoorns hebben, is vanwege deze beschrijving dit dier onwaarschijnlijk.

Tegenwoordig wordt, op basis van woordonderzoek, dan ook door iedereen aangenomen dat het om een wilde stier gaat.

→ Zie het hoofdartikel wilde stier


Beschrijving

Opvallend is dat de eenhoorn niet voorkomt in Griekse mythologieën, maar wel in boeken die de natuurlijke historie beschrijven (→ alinea Geschiedenis). Verschillende schrijvers zoals Ctesias, Strabo, Plinius de Jongere en Aelianus beschrijven het als een dier dat voorkwam in de Kaukasus tot de Indus-vallei (India). Het had als kenmerken één hoorn op de kop, terwijl de kop op die van een hert of paard lijkt en olifantsachtige poten heeft. In Perzië werd een soortgelijk dier, de kargadan, beschreven die ook deze kenmerken had en ook in hetzelfde gebied zou leven. Al deze beschrijvingen doen denken aan de Elasmotherium sibiricus, welke ook in Europa voorkwam en volgens de wetenschap in 29.000 v.C. is uitgestorven.

In de Europese folklore kreeg het de gelijkenis van een normaal paard met een grote hoorn. Enkele van deze hoorns werden als relikwieën bewaard, bv. in de Mariakerk in Utrecht (en nu in het Rijksmuseum, Amsterdam), en zijn gedetermineerd als de hoorn van de narwal (Monodon monoceros).


Geschiedenis

De Romein Plinius de Oudere beschrijft het dier (Plinius, Naturalis historia, VIII, 31), de monocerotem, als een woest dier dat niet levend te vangen is. Het heeft het lijf van een paard, de poten van een olifant, de staart van een everzwijn en de kop van een hert, met midden op het voorhoofd een drie voet lange, zwarte hoorn.

Ctesias (5de v.C.) beschrijft ze als 'wilde ezels' die op hun kop een hoorn hebben met een lengte van 71 cm (Ctesias, Indika, geciteerd door Photios). Ook Claudius Aelianus (~175-235 n.C.), die Ctesias citeert, beschrijft een eenhoornig paard dat in India voorkomt (Aelianus, De natura animalium, iii. 41; iv. 52) en zegt dat de μονόκερως monoceros soms καρτάζωνος cartazonos wordt genoemd. Mogelijk komt dit woord van het Perzisch كرگدن kargadan ('heer van de woestijn', C.W.K. Gleerup, Meddelanden Från Lunds Universitets Historiska Museum: Mémoires Du Musée Historique de L'Université de Lund, 1973 p. 193) en een neushoornachtig dier was.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!