Volkstelling
ἀπογραφή G582 "transcript, afschrift", ἀπογράφω G583 "copieren, afschrijven",

Zie ook: Beeldbank, Quirinius,

Volkstelling, het tellen van het aantal inwoners van een land ten behoeve van de belasting of inzet voor het leger.

Inhoud

Bijbel

Oude Testament

De eerste volkstelling wordt door Mozes uitgevoerd (Num. 1:2ev.). Verder lezen we dat satan (1 Kron. 21:1) of God zelf (2 Sam. 24:1) koning David verleidt om een volkstelling te houden.

Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament worden een tweetal volkstellingen genoemd, de eerste in Lukas (2:1-2) welke betrekking heeft op de geboorte van Christus. De tweede wordt in Handelingen (5:37) genoemd als Judas de Galileër in opstand komt.

 

Problematiek volkstelling ten tijde van Christus geboorte

In 8 v.C. hield Augustus voor de tweede keer een census zoals die om de 20 jaar voor de Romeinse burgers zou worden gedaan. Er bestaat de mogelijkheid, dat de eerste provinciale census – een provinciale census werd met kortere tussenpozen gehouden – voor de inwoners van de provincia Syria en Judea eventueel ook in 8 v.C. of eventueel 6 v.C. onder Quirinius werd gehouden. In dat geval zal in Judea de census zijn uitgevoerd door koning Herodes de Grote, die daarin nauw met Quirinius zal hebben samengewerkt.


Volkstellingen

De scherf hiernaast maakt deel uit van de collectie van de Oostenrijkse nationale bibliotheek in Wenen. Hij was gevonden in het zuiden van Egypte en is beschreven door iemand met een geoefende hand, gewend aan het schrijven van veel teksten. Hij heette Amonios, zoon van Amonios, en was belastinginner. In de tekst verklaart hij dat een zekere Soros, zoon van Pachompos, in het vijfde jaar van keizer Claudius (45 n.C.) in zijn geboortedorp de hoofdelijke belasting had betaald, een bedrag van zestien drachmen voor een gezin van acht personen.

Niemand betaalt zijn belastingen voor zijn plezier en twee drachmen per persoon was veel geld. (Een drachme was het dagloon van een geschoold arbeider.) Voordat de Romeinen het geld konden innen, moesten ze echter weten hoeveel mensen er waren in een provincie, en daarom organiseerden ze volkstellingen. Toen keizer Augustus in 6 n.Chr. besloot de Judese vorst Archelaus af te zetten en zijn land toe te voegen aan de provincie Syrië, moest gouverneur Publius Sulpicius Quirinius de Judeeërs tellen. Velen verzetten zich onder leiding van een zekere Judas de Galileeër.

De Judese historicus Flavius Josephus suggereert dat er stevige onlusten waren (Joodse oudheden 18.4-6, 23), en dat blijkt ook uit de Handelingen van de apostelen, waar we lezen dat de bende van Judas uit elkaar werd geslagen en hijzelf werd gedood (Hand. 5.37). De revolte is echter niet opgenomen in de catalogus van gewapende interventies in Judea die de Romeinse historicus Tacitus opnam in zijn Historiën (5.9). Dit betekent dat het niet noodzakelijk was geweest de legioenen in te zetten. De rebellie was met hulptroepen te onderdrukken en kan niet heel grootschalig zijn geweest.

Toch herinnerden de Joden zich de volkstelling van Quirinius als een nationale ramp. Twee, misschien drie generaties na de gebeurtenis kon Lukas veronderstellen dat elke lezer wist wat Quirinius’ gouverneurschap had betekend, wist wat van calamiteit zich had voltrokken en hoe donker het er had uitgezeten. Dat blijkt uit de wijze waarop Lukas, die nooit te beroerd is om eigennamen uit te leggen (de Jordaan is een rivier, Gerasa ligt tegenover Galilea…) Quirinius zonder nadere introductie vermeldt (Luk. 2.2). De Romeinse volkstelling was de inktzwarte achtergrond die Lukas benutte om het spektakel dat hij gaat beschrijven beter te doen uitkomen: de komst van de Messias. Toen Judas’ bendes en de Romeinse hulptroepen het land onveilig maakten, toen de zaken er het slechtst voor stonden, bleek God het meest nabij.

Jona Lendring (Livius)



Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!