Prof. dr. Johan Bruinsma

Zie ook: Personen, Namen,

Prof. dr. Johan BruinsmaProf. dr. Johan Bruinsma (5 dec. 1927 – 1 jan. 2017), hoogleraar plantenfysiologie aan de Universiteit Wageningen van 1968-’89 en vanaf 2009-2016 medewerker van onze website.

Inhoud

Levensloop

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-1952 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op Studies on the crassulacean acid metabolism. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968 tot 1989 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar.

Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Vanaf 2009 heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur onze website Aantekeningen bij de Bijbel van adviezen voorzien.

Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en 21 (achter)kleinkinderen.


Visie op evolutie vs. schepping

Als reactie op het artikel ‘Creationisme’ van dr. Van der Leij (Resource 17, 12 feb. 2009, p.3), waarin deze creationisten ‘anevolutionisten’ noemt, reageerde dr. J. Bruinsma als volgt:

In zijn bijdrage ‘Creationisme’, in Resource 17 van 12 februari, gebruikt dr. Van der Leij de voor mij nieuwe termen anevolutionist en anevolutionisme. Als hij dat bedoelt in analogie met analfabetisme – in de zin van: nog niet beter wetend – is dat niet alleen denigrerend ten opzichte van collega’s en studenten, maar ook getuigend van een simplistisch inzicht in de problematiek van de ontwikkeling van het leven op aarde. ‘Alles is altijd ingewikkelder’, verzuchtte prof. H. Zuilhof in zijn oratie op 28 april vorig jaar, waarbij hij er onder meer op wees dat de chemische onderbouwing van het ontstaan van het leven nog steeds rammelt.

Aan evolutie door selectie hoeft inderdaad niemand te twijfelen, maar selectie betekent per definitie verwijdering van genetische informatie. Deze ontwikkeling op soortniveau is te onderscheiden van een macro-evolutie ‘van bacterie tot mens’, die een gigantische verrijking met nieuwe informatie zou vereisen. Mutaties blijken vrijwel altijd negatief.

De mutatieve vorming van nieuw, informatief DNA moet dan ook zo zeldzaam zijn, dat het de voor (macro)evolutie benodigde verrijking niet kan verklaren. Bovendien zijn voor de nieuwvorming van complexe organen niet alleen positieve, maar ook simultane informatieveranderingen nodig, om bijvoorbeeld botten, spieren en zenuwen tegelijkertijd in onderlinge aan- passing te doen veranderen. Als zulke veranderingen niet in één keer optreden, dan zijn organismen verminderd vitaal en kunnen ze de struggle for life niet winnen. Dat dergelijke organismen niet als fossiel worden gevonden, zag Darwin al als een ernstig probleem voor zijn theorie.

Zoals prof. Zuilhof als chemicus de onderbouwing van het ontstaan van het leven vooralsnog mist, zo ontbeer ik als bioloog voorlopig nog de theorieën ter verklaring van de voor (macro)evolutie vereiste toename van genetische informatie en van de nieuwvorming van complexe organen.

(J. Bruinsma in Resource, 26 feb. 2009, p. 3).


Bibliografie

Deze is niet volledig, voor aanvullingen houden we ons aanbevolen.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!