Aangezicht, Gelaat
πρόσωπον G4383 "gezicht, gelaat", אֲנַף H600 "aangezicht", אַף H639 "neusvleugel, neus, gelaat, toorn, aangezicht, aanschijn, neus(ringen)", פָּנִים H6440 "aangezicht, blik, verschijning, tegenwoordigheid, toorn, richting, doel,voorkant, voorzijde",

Zie ook: Hoofd (lichaamsdeel),

Compositiefoto van het gelaat van diverse vrouwenAangezicht (Hebreeuws פָּנִים H6440; Grieks πρόσωπον G4383), de toegewende zijde van het hoofd van levende personen, zoals van God, van engelen en van mensen.

Inhoud

Bijbel

Het aangezicht weerspiegelt de innerlijke aandoeningen als schaamte (Ps. 44:16) toorn (Lev. 20:3ev.), verdriet (Job 16:16), vreugde (Spr. 15:13). Omdat het aangezicht het meest eigene is van een persoon, wordt het ook gebruikt voor de hele persoon (Gen. 3:8; Job 42:9). Van David wordt gezegd dat hij zijn gelaat veranderde toen hij zich als een krankzinnige voordeed (1 Sam. 21:13; Ps. 34:1). Terwijl van Kaïn dit wordt gezegd omdat hij boos was (Gen. 4:5), net zoals bij Laban waarvan Jakob fijntjes opmerkt dat "het was jegens hem niet als gisteren [en] eergisteren" (Gen. 31:2, 5).

Aangezicht van God

Meestal als aanduiding voor God zelf, zoals Hij zich aan de mens en engelen (in gunst) openbaart. Het zoeken van Gods aangezicht houdt dan ook in Gods gunst zoeken (Ps. 27:8), terwijl het verbergen van Gods aangezicht juist de betekenis van onheil, toorn heeft (Jes. 54:8).

Op dit moment kennen we Gods aangezicht (ie. openbaring) maar ten dele (1 Cor. 13:12), echter de "verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus" (2 Cor. 4:6)



Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!