Belasting, Tol
κῆνσος G2778 "census", λυσιτελεῖ G3081 "belastingen betalen", τέλος G5056 "einde, eeuwig", בְּלוֹ H1093 "cijns, oude impost", הֲלָךְ H1983 "tol", מִדָּה H4061 "tribute, toll",

Zie ook: Beeldbank, Overheid, Politiek, Tollenaar,

BelastingbriefBelasting, is een heffing of prestatie die wordt opgelegd aan iemand door de overheid.

Inhoud

Bijbel

In Ezra 4:13, 20 en 7:24 wordt gesproken over een drietal vormen van belasting, meestal vertaald met "belasting מִדָּה H4061, heffingen בְּלוֹ H1093 en tol הֲלָךְ H1983".

Geef de keizer wat des keizers is

Romeinse muntHet is niet voor niets dat Jezus vraagt naar de afbeelding en het opschrift op de munt (Mark. 12:15). Op een Romeinse munt stond het portret van de keizer – in dit geval Augustus of Tiberius – en een randschrift, dat hem identificeerde als een meer dan menselijk wezen: Augustus was geadopteerd door de vergoddelijkte Julius Caesar en Tiberius was geadopteerd door de vergoddelijkte Augustus. Naast het portret stond dus iets als divi filius, "zoon van god" (op het plaatje in de rechterbovenhoek). Ook joden die niet geloofden dat Jezus de zoon van de enige God was, moesten aanstoot nemen van dergelijke munten - immers, het portret was een gesneden beeld en de tekst impliceerde het bestaan van andere goden dan JHWH. Een jood met een Romeinse munt op zak overtrad twee van de tien geboden (Ex. 20:3, 4).

Maar er is nog een tweede pointe, die je haast over het hoofd zou zien omdat je bij het lezen vooral Jezus' antwoord wil kennen. Maar de vraag is natuurlijk absurd: het hale je de koekkoek dat mensen belasting moeten betalen – dat deden de Joden al eeuwen en de herodianen en farizeeën hadden er geen enkele moeite mee. In het Grieks staat er dan ook geen 'belasting' – er staat zelfs geen Grieks woord. Er staat κῆνσος G2778 kensos, een weergave van het Latijnse census, wat dus slaat op een Romeinse belasting.

Belastingen werden in de oude wereld vrijwel altijd geïnd in natura: een boer stond meestal een tiende af van zijn oogst, en de vorst sloeg dit op in grote voorraadschuren. Zijn soldaten moest hij officieel betalen in munten (acht bronsstukken was het loon van een normale soldaat in Judea), maar in de regel hield de vorst daarop een stevig bedrag in omdat hij zijn soldaten te eten gaf. Het systeem had enorme voordelen – de koning hoefde niet in zaken te gaan om aan het benodigde edelmetaal te komen – maar had ook een nadeel: als er een misoogst was, moest de vorst wél zijn soldaten voeden terwijl hij minder inkomsten had. Muiterijen wegens achterstallige soldij waren zeker niet ongebruikelijk.

De Romeinen vonden een oplossing: de burgers werden geacht hun belasting te betalen in muntgeld. Dat betekende dat de keizer elk jaar verzekerd was van zijn inkomsten en dat de troepen niet zouden muiten. En dat betekende weer dat de samenleving een stuk veiliger was. Een bijkomend voordeel was dat het makkelijker werd kapitaal dat was geïnd in de ene provincie over te brengen naar een andere.

Voor de boeren was dit nu net het probleem. Ongeacht de omvang van de oogst, werden zij geacht hetzelfde bedrag op te brengen. De monetarisering van de belastingheffing verlegde het risico van de belastinginner naar de belastingbetaler. Bovendien nam de kans toe dat de Romeinen het kapitaal niet ter plaatse spendeerden, maar in het buitenland. Daar stond tegenover dat de boeren veiliger leefden en dat ze min of meer gedwongen werden voor de markt te gaan produceren: ze moesten kapitalistisch gaan denken en gewassen produceren waarmee geld te verdienen was. In de meeste gevallen pakte dat goed uit en de eerste twee eeuwen van het Romeinse keizerrijk tonen een zekere economische groei.

Alleen in Judea pakte het verkeerd uit. De Romeinen incasseerden wel het geld, maar besteedden het vervolgens niet in deze provincie: er was veel geld nodig in Syrië, waar een zesde van het Romeinse leger was gestationeerd. Anders gezegd, de Romeinen namen elk jaar kapitaal weg uit het land van Israël, maar investeerden er niet, zodat de Judeeërs geen gelegenheid hadden geld te verdienen.

De Joden hadden het meteen in de gaten. In het jaar 6 n.C. annexeerde gouverneur Quirinius van Syrië Judea en organiseerde een volkstelling (Lukas 2), want hij wilde weten hoeveel belastingbetalers er waren. Meteen kwamen de nieuwe ingezetenen van het Imperium in opstand. Het was vergeefse moeite - de belastingen moesten betaald worden, en het heeft er sterk de schijn van dat de boerenstand werd geruïneerd. Uit de farizese literatuur blijkt dat de rabbijnen zich bezighielden met de schuldenproblematiek en ook in het Nieuwe Testament wordt opvallend veel gesproken over schulden.

Talloze boeren moesten hypotheken nemen om hun belastingen te voldoen en werden, toen ze hun hypotheken niet konden aflossen, pachters van het land dat ze ooit in bezit hadden gehad. En toen ze de pacht niet konden betalen, wachtte hun nog slechts een bestaan als herder: uitschot, aan de rand van de samenleving. Uiteindelijk moest dit wel leiden tot gewelddadig verzet, en na twee generaties voortschrijdende verarming sloeg de vlam in 66 inderdaad in de pan. Vier jaar later brandde Jeruzalem.

De pointe van de vraag van de herodianen en de farizeeën is dus niet zozeer of men belasting moest betalen aan Rome, maar of men belasting moest betalen in munten - munten die de overheid ergens anders uitgaf, zonder dat de Joden er iets voor terugzagen.

Jona Lendering

Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!