Farizeeen
Φαρισαῖος G5330 "Farizeeën",

Zie ook: Jodendom,

Farizeeën (Grieks Φαρισαῖος G5330), een Joodse religieuze stroming, politieke partij en sociale beweging gedurende de periode van de Tweede Tempel vanaf de periode van de dynastie van de Hasmoneeën (140 - 37 v.C.) tot en met de Nieuwtestamentische periode.

Inhoud

Bijbel

Het evangelie schildert de Farizeeën meestal af als hardvochtige lieden, hoewel enkele van hen als vrienden van Jezus worden vermeld. Op meerdere plaatsen in Joodse bronnen worden de Farizeeën van schijnheilighied beschuldigd. Er waren enige Farizeeën, die slechts God en hun naaste wilden dienen, maar de meesten maakten de fundamentele fout om overdreven waarde te hechten aan de traditie en de letter van de Wet. Jezus daarentegen kwam tegemoet aan de behoeften van de enkeling en Hij liet zich niet tegenhouden door barrières die mensen hadden opgeworpen. Reden om eens iets dieper in te gaan wie deze Farizeeën nu waren.

Het woord Farizeeën is afgeleid van het Hebreeuwse perushim ('afgescheidenen'), als groepering genoten ze grote achting bij het volk, de am ha'aretz, letterlijk 'het volk van het land', maar beter te vertalen met 'de schare die de wet niet kent' (zie Johannes 7:49).

De perushim schuwden alle heidense invloeden, zowel culturele als religieuze. Zij distantieerden zich door betrachting van rituele reinheid van alle mensen in Israël die de Wet niet naleefden.
De Farizeeën vormden na afloop van de opstand der Makkabeeën (168-164 v.C.) een aparte religieuze partij. Tegenover de bezetters namen zij een berustende houding aan. Ze waren tevreden met de verkregen religieuze onafhankelijkheid en beseften dat politieke vrijheid onmogelijk was. In wezen waren zij realisten, die hun belangstelling voor het politieke lot van Israël verloren en zich tot de godsdienst beperkten.

Net als alle andere Joden stelden de Farizeeën de Wet boven alles, maar in tegenstelling tot nog strengere sekten beperkten zij zich niet tot de letterlijke tekst van de Thora, maar vulden zij deze aan met mondelinge commentaren. Op basis van bepaalde vaste regels interpreteerden zij omzichtig de teksten en voegden zo aan de bestaande Wet nieuwe wetten toe die tegemoet kwamen aan de eisen en noden van hun tijd.

De interpretaties van de Farizeeën ontwikkelden zich tot de officiële Joodse leer. De Farizeeën geloofden net als anderen in de herrijzenis van de doden en keken ook uit naar het Messiaanse tijdperk, maar op het goddelijke element van deze verwachting legden zij geen nadruk. Zij beperkten zich in wezen tot het gewone dagelijkse leven op aarde, waar zij het Koninkrijk Gods wilden vestigen door gehoorzaamheid aan de Wet.

Net als de meeste religieuze groeperingen hadden ook de Farizeeën een liberale en een conservatieve vleugel. De zachtaardige, humane en vrome rabbijn Hillel, de leider van de liberalen, was soepeler dan rabbijn Shammai, de toonaangevende conservatieve rabbijn. Hillel beschouwde het gezegde "Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet" als de Wet in notendop. Hij predikte de leer van liefde, rechtvaardigheid en vrede. Shammai daarentegen was strenger in zijn interpretatie van de Wet. Shammai wilde dicht bij de Torah-tekst blijven, terwijl Hillel een uitgebreid stelsel van regels ontwikkelde waarmee de Thora kon worden bediscussieerd.

Zoals reeds gesteld stonden de Farizeeën voor trouw aan de dienst van Israëls God; ze waren in hun eigen termen 'ijveraars' voor de Wet. (In Handelingen 21:20 wordt over hen gesproken). Als Paulus in Filippenzen 3 over zijn eigen farizese verleden spreekt, bezigt hij ook het woord 'ijver', voor hem een positief woord. Ze waren mensen die het geloof zeer serieus namen, en daarvoor geprezen werden, ook door hen die zelf geen vergelijkbare geloofsernst ten toon spreidden.

Iets van deze geloofsernst komen we tegen in de gelijkenis van Lukas 18:9-14, waar de Farizeeër tot God spreekt en zegt: 'ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van al m'n inkomsten.' Als hij inderdaad twee maal per week zich van eten onthield, dus 104 keer per jaar, deed hij dat precies 103 keer meer dan was voorgeschreven! Volgens Leviticus 16 moesten alle Joden slechts eenmaal per jaar vasten (Lev.16:29,31; 23:27-32; Num. 29:7). In Zacharia's profetieën wordt inderdaad gesproken van vier vastendagen die in het Israel dat uit de Ballingschap was teruggekeerd gehouden werden (Zacharia 8:19). De gedrevenheid van vromen die daarboven nog honderd maal per jaar vastten ('s maandags en donderdags) blijft ook dan uitzonderlijk.

Ook in het geven van tienden 'van al mijn inkomsten' was de in Lukas 18 genoemde Farizeeër veel toegewijder dan in Mozes' Wet was vereist. (Vergelijk Deuteronomium 14:22) We weten uit Lukas 11:42 en Mattheus 23:23 ('gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn') dat Farizeeën ook bij de opbrengst van tuinkruiden het principe van de tienden uiterst stipt in acht namen. In een aantal gevallen besteedden Farizeeën veel tijd en aandacht aan verkondiging van hun Joodse geloof, kennelijk ook onder de heidenen. In een polemische redevoering tegen Farizeeën (die in menig opzicht theologisch heel dicht bij Hem stonden!) zegt de Here Jezus: 'Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond om een bekeerling te maken, en als hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt.' (Mattheus 23:15).

Al is de teneur van deze woorden niet zo erg positief te duiden, we kunnen uit deze woorden wel opmaken dat ook in 'zendingswerk' Farizeeën grote daadkracht toonden. 'Ik getuig van hen dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand', zegt de voormalige Farizeeër Saulus van Tarsus, die de apostel Paulus werd, in het begin van Romeinen 10. Dat kan men negatief opvatten, en zo is het daar ook bedoeld, maar met evenveel reden kan men concluderen dat Farizeeën grote 'ijver' en 'toewijding' bezaten. Ze bezaten in elk geval moreel gezag, zo niet rechtstreeks politieke macht en invloed.

De ironie wil dat juist doordat de Farizeeën strak vasthielden aan hun opvatting over de Wet, het Jodendom niet alleen de geboorte van het Christendom, maar ook de vernietiging van de Joodse staat heeft overleefd. Nadat de wetsrollen bij het afbranden van de tempel in vlammen waren opgegaan gingen de Farizeeën, die het ook zonder de geschreven tekst konden stellen, omdat zij de Wet in hun geest en hart droegen, door met hun "eeuwige discussies over het Eeuwige" en legden zij deze vast in de Talmoed.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!