Oecumenische concilies

Zie ook: Rooms Katholieke kerk,

Het woord concilie (Latijn: concilium, samenkomst, vergadering) wordt gebruikt in de zin van een kerkelijke bijeenkomst. Het woord oecumene komt van het Grieks Οικουμένη (oikumene), dat letterlijk bewoond betekent, oftewel 'alle plaatsen die door levende wezens bewoond worden', dat wil zeggen "wereldwijd" of "algemeen". Een oecumenisch concilie is dus een samenkomst van de wereldwijde kerk, echter in de praktijk waren dat alleen de denominaties van de Katholieke kerk.

Inhoud

Overzicht van de eerste oecumenische concilies

325 n.C. Nicea I

De grootste verwezenlijkingen van dit concilie waren de regeling van de kwestie betreffende de aard van Jezus en zijn relatie tegenover God de Vader (waarbij besloten werd dat de Zoon van hetzelfde wezen is als de Vader), de opstelling van het eerste deel van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel, het regelen van de datumberekening van Pasen en de afkondiging van het vroege canoniek recht.

367 n.C. Laodicea

Waarin de zondag als officiële rustdag werd gezien in plaats van de sabbat.

381 n.C. Constantinopel I

Dit concilie heeft de zgn. Niceens-Constantinopolitaanse belijdenis vastgelegd. De Heilige Geest werd gelijkgesteld aan de Vader en de Zoon (Drie-eenheid). Op deze wijze ontstond de nu nog gebruikte geloofsbelijdenis van het christendom. Het arianisme en het apollinarisme werden veroordeeld.

393 n.C. Hippo

Tijdens dit concilie werd de canon van de Bijbel, zoals die sinds 200 n.C. in gebruik was, bevestigd.

418-419 n.C. Carthago

Tijdens dit concilie werd de bevestiging van de canon van de Bijbel tijdens het concilie van Hippo officieel bekrachtigd. Verder werd op instigatie van Augustinus, het Pelagianisme veroordeeld.

431 n.C. Efeze

Dit concilie verwierp het Nestorianisme en verklaarde dat er in Christus geen twee personen naast elkaar stonden - God en een mens die Jezus heette - maar dat de godheid en de mensheid hypostatisch, d.w.z. in een één persoon verenigd waren, de persoon van het Woord, Zoon van God. Daarom is Maria de moeder van Jezus. De maagd Maria werd tot Moeder van God uitgeroepen (Grieks: Η Θεοτόκος;). En de naam Theotokos werd definitief goedgekeurd. Dit concilie en alle volgenden worden niet erkend door de Oost-Syrische Kerk of Nestoriaanse Kerk.

451 n.C. Chalcedon

Dit Concilie verwierp de monofysitische doctrine van Eutyches. De monofysieten wilden geen onderscheid maken tussen de persoon (hypostasis) en de natuur (physis): als Christus één persoon is, zo beweerden zij, dan kan Hij geen twee naturen hebben maar slechts één, de goddelijke. Het concilie hield staande dat er twee naturen in de ene persoon van het Woord zijn en dat deze twee naturen verenigd zijn "zonder in elkaar over te gaan, elkaar te wijzigen, te verdelen of te scheiden". Uitgesproken werd dat Jezus twee naturen heeft in één persoon verenigd, een menselijke en een goddelijke. De naturen zijn onvermengd en onveranderd (tegen Eutyches) en ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius). De Chalcedonische geloofsbelijdenis wordt aangenomen. Dit concilie en de volgenden worden niet erkend door de Oriëntaals-orthodoxe Kerken, zij scheidden zich toen van de Kerk af en namen miafysitische geloofsbelijdenissen aan, waarin uitgesproken werd dat Jezus één natuur heeft, een gemengd goddelijk-menselijke.

553 n.C. Constantinopel II

Behandeld werd de dogmatische leer over de persoon van Christus. De keizer wilde deze leer ook aan het Westen opleggen. Keizer Justianus wilde aan de monofysieten, die hij tot de Kerk wilde terugbrengen, bewijzen dat het Concilie van Chalcedon niet in het nestorianisme vervallen was en daarom haalde hij dit nieuwe concilie over om drie theologen uit de 5de eeuw te veroordelen (de `Drie Kapittels') die verdacht waren van Nestoriaanse neigingen. Paus Vigilius keurde dit concilie pas goed nadat hij zich overtuigd had dat de leer van Chalcedon niet was gewijzigd. Het concilie bekrachtigde aldus Chalcedon en de eerdere concilies.

680-681 n.C. Constantinopel III

Het monotheletisme werd besproken. Het monotheletisme, een afwijkende vorm van het monofysitisme, werd door de paus veroordeeld. Volgens het monotheletisme heeft Christus wel twee naturen maar slechts één wil: de goddelijke wil. Het concilie stelde daar tegenover dat de mensheid in Jezus Christus geen abstracte werkelijkheid is, maar dat deze zich uit in een eigen wil die vrij en in alles aan de goddelijke wil onderworpen is. Christus heeft dus twee willen. Er werd besloten: Christus is werkelijk God én werkelijk Mens. Het Monotheletisme werd wel overgenomen door de Maronitische Kerk.

787 n.C. Nicea II

Het iconoclasme (beeldenstrijd) werd behandeld. De verering van de beelden werd bestreden door verschillende "iconoclastische" Byzantijnse keizers. Het concilie sprak zich uit over de rechtgelovige leer over de beelden iconen die Christus en de heiligen voorstellen; de Zoon van God is werkelijk vlees en een echte mens geworden: Hij kan dus uitgebeeld worden. Evenals de heiligen. De vraag was: Mag men wel beelden vereren of niet? Deze beelden moeten vereerd worden, want het werkelijk voorwerp van de verering is degenen die ze voorstellen; maar ze kunnen niet het voorwerp worden van aanbidding (latreia) omdat men deze alleen voor God mag verrichten. Uitspraak: Geen latreia, wel dulia (Geen aanbidding wel verering). De eerste kerkelijke wetten werden uitgevaardigd.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!