ds. J. Rottenberg

Zie ook: Beeldbank, Lijst Messiasbelijdende Joden, Messiasbelijdende Joden,

Ds. Johannes Rottenberg (Gallicië, 25 dec. 1890 – Mauthausen 16 jun. 1942), was een Messiasbelijdende Jood.

Inhoud

Levensbeschrijving

Johannes Rottenberg werd geboren als Alter Mendel Rottenberg te Dombrawa (Gallicië) op 25 december 1890. Hij was de zoon van rabbijn Izak Rottenberg en Deborah Werker. Johannes Rottenberg is gestorven op 16 juni 1942 in het concentratiekamp te Mauthausen.

Rottenberg is opgegroeid in de chassidisch-mystieke traditie, van zijn vierde jaar af wordt hij onderwezen in de Hebreeuwse taal- en letterkunde, ontvangt in Dombrawa en Krakau zijn rabbijnse opleiding en gaat voor een korte studie bij de toenmaals beroemde Talmoed-geleerde dr. Cohn, naar Basel. Hier raakt Rottenberg geïnteresseerd in het Nieuwe Testament. Als gevolg daarvan komt hij in 1911, op aanraden van zendeling Friedenthal, in dienst van de "London Jews Society" te Krakau, bij Elim in Rotterdam terecht. Hier wil de Talmoed-student met de peyoth (=haarlokken) het N.T verder onderzoeken. Mocht hij niet tot overtuiging komen dan zal hij zonder meer teruggaan naar Polen. De Turkse Jood Joseph Zalman begeleidt hem in zijn studie en wordt door Rottenberg later ook zijn geestelijke vader genoemd. Bij zijn doop ontvangt Rottenberg zijn nieuwe naam "Johannes", die hij verder dan ook zal gebruiken. Rottenberg is van 1911 tot 1914 assistent-zendeling onder de Joden in Rotterdam, dan nog hoofdzakelijk Joodse emigranten uit Oost-Europa op weg naar de Verenigde Staten. Dan vertrekt Rottenberg zelf ook naar de Verenigde Staten, om daar theologie te gaan studeren: Chicago 1914; Dubuque (Iowa) 1916; Grand Rapids 1917; Chicago 1919. Rottenberg ontvangt dan de graad van "Bachelor in Theology" of "Bachelor of Divinity".

In 1920 wordt hij missionair predikant onder de Joden in Chicago, in dienst van de Christian Reformed Church. In hetzelfde jaar trouwt hij met Cornelia Boender. Uit dit huwelijk worden vier dochters en twee zonen geboren (De oudste van de twee zonen is gehuwd met de oudste dochter van S.P. Tabaksblatt). Zijn veelvuldige wisseling van universiteit hangt telkens samen met het Jodenzendingswerk waar hij bij betrokken is. In 1924 gaat Rottenberg naar Londen en werkt bij de "Hebrew Christian Testemony to Israel", onder leiding van de Messiasbelijdende Joden David Baron en dr. C. Schönberger. Van 1929 tot 1940 (Duitse bezetting) is Rottenberg missionair predikant in Rotterdam bij de "Nederlandsche Vereeniging voor zending onder Israël "Elim". In de jaren 1940 - 1941 is hij Nederlands-Hervormd hulpprediker in Scheveningen (F.L van 't Hooft, Biografisch Lexicon; S.P. Tabaksblatt, Ds. Johannes Rottenberg; A.R. Zalman - Marda, Gezonden en teruggeroepen).

J.H. Grolle, oud-secretaris van de Hervormde Raad voor de verhouding van Kerk en Israël, zegt over Rottenberg: "De kop van een artist; om precies te zijn Güstav Mahler; de houding en de bewegingen van een verstrooide geleerde; het getuigenis van een profeet, breed en groot; het hart van een vertrouwend kind." (J.H. Grolle, inl. in Gezonden en teruggeroepen)

Tabaksblatt meent dat deze schets van Rottenberg juist is en hij werkt deze uitdrukking als volgt uit: "Inderdaad, Rottenberg was een artíst – hij maakte veel werk van zijn roeping onder Israël; hij was een geleerde – hij bezat een grondige kennis van de Talmoed en de joodse wetenschappen; hij was een profeet – als men hem hoorde getuigen zowel in de kerk voor de gemeente, als op de vergaderingen en samenkomsten met Joden, kwam men onder de indruk van het heilige vuur dat hem bezielde en de liefde tot hen voor wie hij getuigde; hij was een kínd – hij bezat een diep geloof in de God van Israël en in Jezus Christus dien Hij gezonden heeft, maar dat geloof ging gepaard met een naïef en soms kritiekloos aanvaarden van de leer der christelijke kerk." (S.P. Tabaksblatt, Ds. Johannes Rottenberg, p.8-9)

Johannes Rottenberg is een innemende persoonlijkheid geweest, zowel in de ogen van zijn medewerkers, als ook voor degenen die naar hem luisterden, zowel Joden als christenen. En hij heeft tijdens zijn leven hart voor zijn zaak gehad. A.R. Zalman-Marda, de echtgenote van de grondlegger van "Elim", Joseph Zalman, drukt dit zo uit: "Ook het werk van Rottenberg behoorde tot zijn leven. Want zijn leven was zijn werk en zijn werk werd zijn leven." (S.P. Tabaksblatt, Ds. Johannes Rottenberg, p.8)

En zijn onderwerp was altijd weer, hoe gevarieerd verder ook: Jodendom en Christendom! (A.R. Zalman-Marda, Gezonden en Teruggeroepen, p. 64) Als motto voor zijn leven zou de volgende uitspraak kunnen gelden, welke Rottenberg indertijd in de Elimbode heeft gedaan: "Wie en wat zijt gij eigenlijk?" Zoo vroeg mij onlangs een Jood. En ik antwoordde: "Ik ben een stem van een roepende in de woestijn." En wat zal ik roepen (...)? "Ecce homo! Zie de Mensch! (=Jezus, P.H.) (...) En als de Christen mij vraagt: "Wie en wat zijt gij?" Dan antwoord ik wederom: "Ik ben een stem van een roepende in de woestijn." (cf. Jes. 40:3; Mat. 3:3; Joh. 1:23) Een stem die U toeroept: "Ecce Judaeus!" Zie de Jood." (J. Rottenberg, Ecce Judaeus in "De Elimbode" 32/127, juli 1934, p.1-4, ook afgedrukt in: A.R. Zalman-Marda, Gezonden en Teruggeroepen, p.213)

Tabaksblatt eindigt zijn levensbeschrijving van "Dominus Alter Mendel Johannes Rottenberg" met de veelzeggende woorden: "ZICHRONO LIWRACHA - ZIJN NAGEDACHTENIS ZIJ TOT ZEGEN" (S.P. Tabaksblatt, Ds. Johannes Rottenberg, p. 29)

drs. P. Hoekstra

Rottenberg overleed in 1942 in de kwikzilvermijnen van concentratiekamp Mauthausen, 51 jaar oud. ‘Opgeroepen tot de volmaakte verheerlijking van zijn Messias en Zaligmaker’, schreef de familie in het overlijdensbericht (ND, Hier gebeurde het - Jodenliefde in Lommerrijk, 11 okt 2014).

Rottenbergs lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Joden Christenen

Aanvankelijk was Rottenberg lid van de NVJC, de Nederlandse Vereniging van Joden Christenen, de vooroorlogse voorloper van Hadderech. Hij vond een dergelijke vereniging wenselijk. In de Elimbode van januari 1935 noemde hij hiervoor drie redenen. Deze zijn ook vandaag nog geldig.

  1. Om ons Christelijk geloof als Joden te handhaven tegenover onze Joodse broeders die niet in de Messias geloven.
  2. Om liefde te betonen aan die Joodse broeders die om Christus’ wil alles verlaten hebben. 
  3. Om in de kerk van Christus de hoop van Israël levend te houden. Dit is van het grootste belang, zowel voor Israël als voor de kerk zelf. En als Joodse christenen moeten wij van de kerk vragen dat ze de Jood teruggeven wat God hem heeft verleend; en wel omwille van haarzelf en omwille van de komst van Gods Koninkrijk.

Het was een groot verlangen van Rottenberg dat er een Beth hamidrasj voor Joodse christenen zou komen maar een aparte kerk voor Joden wees hij ten stelligste af. Toen de vertegenwoordigers van de NJVC op een conferentie van Joodse christenen in Londen stemden vóór de stichting van een Joods-christelijke kerk voelde hij zich genoodzaakt om zijn lidmaatschap van de NVJC op te zeggen. Hij was van mening dat dit in strijd was met de Bijbel. “In Christus is immers Jood noch Griek.”

Dit artikel is afkomstig en met toestemming overgenomen
uit het maandblad Hadderech van juni-augustus 2018


Het geloof van Rottenberg

Rottenberg was een man van de praktijk en geen dogmaticus. Hij heeft ons daarom geen dogmatische beschouwingen nagelaten. De Joden op de Messias en de Kerk op Israël wijzen, dat zag Rottenberg als zijn belangrijkste taak. Wat hij schreef moeten we tegen die achtergrond begrijpen.

De literatuur van Schwarz, Rottenberg en Tabaksblatt is in de praktijk van het leven ontstaan en niet, zoals in dit werkstuk geprobeerd is, een systematisch uitgewerkt theologisch denken. De systematische theologie is impliciet aanwezig, maar komt er, een enkele opmerking daargelaten, bij deze auteurs nooit expliciet uit. Uit respect voor de drie predikanten verzoeken we dan ook hun denken niet nog meer analytisch te determineren dan de schrijver van dit werkstuk al gedaan heeft.

Rottenberg stelt godsdienst/religie en geloof tegenover elkaar. Godsdienst/religie is een zaak van het verstand en bestaat uit formulieren, door de mens opgesteld, of vaste en onwrikbare systemen, welke de mens niet zalig kunnen maken. Godsdienstige mensen zullen niet tot bekering komen: “… zij kennen geen zondeprobleem en dus ook geen verlossingsverlangen…” (De weg des vredes).

Geloof is waar het eigenlijk om gaat. “Alleen het geloof maakt de mens tot mens…In het ware, levende geloof is niet alleen het verstand werkzaam maar de hele mens met al zijn vermogens … het is de wereld van het Koninkrijk Gods met zijn troost en zijn vrede, zijn vreugde en zijn volheid…De gelovigen zijn de gelukkige erfgenamen van deze en van de toekomende wereld…” (De weg des vredes).

De Bijbel als boek

“De Bijbel is het onsterfelijke boek … Hij is de martelaar onder de boeken. Geen boek is ooit zo misbruikt, gelasterd, vervolgd, bespot en vervloekt. Is hij hierdoor ondergegaan? Duizenden boeken sterven jaarlijks, niet omdat ze door iemand belaagd worden maar door innerlijke zwakheid. De Bijbel heeft te kampen gehad met verbranding en de ban, met wetenschappelijke veroordeling, bekrompen vooroordeel en kleinzielige onverschilligheid. En zie, hij heeft dit alles glorievol overleefd! Zelfs het gevaar van de steeds stijgende boekenvloed heeft hij het hoofd geboden. (Hoor Israël).

Over het geteisterde Oude Testament zegt Rottenberg dat het “opgestaan is uit het graf en leeft, net als Degene van wie het getuigt.

Net zoals een levend wezen niet verdeeld kan worden zonder te sterven, zo kan ook de Bijbel niet verdeeld worden in een Oud en een Nieuw Testament. Het is een eenheid. Het gaat om dezelfde God en dezelfde verordeningen. Als je het ene weghaalt valt het andere vanzelf om.” (Het Semitisme en de West-Europese volkeren). Zelfs van Jezus kan niets gezegd worden zonder het Oude Testament. De Zoon is het hart van de Schrift, van waaruit alle boeken hun kracht ontvangen. (De Triniteit in Israëls Godsbegrip).

Schriftgezag en exegese

De Oudtestamentische profetieën zijn waar omdat ze aan Jezus vervuld zijn. Dat is een bewijs voor de Goddelijke inspiratie van het Oude Testament. Rottenberg stelt dat de Talmoed redeneert maar dat de Evangeliën met Goddelijke autoriteit spreken. De mens dient de Bijbel te lezen met “een gebroken geest en een verslagen hart. Dit zijn de eerlijkste uitleggers van de Bijbel.” (A.R. Zalman-Marda, Gezonden en teruggeroepen).

Rottenberg legde de Bijbel uit door Schrift met Schrift te vergelijken. In alles ziet hij vooruitwijzingen naar de Messias. Beeld, type en schaduw zijn woorden die veel voorkomen in zijn boeken.

“Alles wat een schaduw en een type was in Israël is tot eeuwige werkelijkheid geworden in de Messias. En alles wat in riten en beelden over de hele geschiedenis van het Oude Testament verspreid ligt, is in volkomen heerlijkheid geconcentreerd en vervuld in Hem.” (Israëls Feesten)

God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

“Ik geloof in God de Vader. Hoewel ik slechts een schepsel ben met beperkte vermogens en in mijzelf niet in staat te kennen de Enige, de Eeuwige, de Almachtige, de Schepper en Onderhouder van het gehele heelal, heeft het Hem desalniettemin behaagd mij door ontelbare bewijzen ervan te overtuigen dat Hij de Vader is… Hij is niet alleen maar een verre God, in de heilige majesteit van de zevende hemel. Mijn God is ook een God van dichtbij, een levend, liefhebbend, vergevend Vader. Want ik geloof in Hem als de Vader van zijn eniggeboren Zoon, Jezus de Messias. Alleen door Hem komt God als Vader tot mij en nader ik als kind tot Hem.” (De Triniteit in Israëls Godsbegrip).

“Ik geloof in God de Zoon. De Zoon is het hart van de Schrift, van waaruit alle boeken van het Oude Testament hun bloed en levenssappen ontvangen … en al de boeken van het Nieuwe Testament hun kracht en betekenis ontlenen. Hij verscheen in de volheid van de tijd en naar de raad en voorkennis van God in de wereld als de Messias en Zaligmaker van zondaren…. Wat ik van Hem ontving is niet een leer omtrent God, maar leven uit God. En wat Hij deed om onze zonden te verzoenen en wat Zijn bloed nog dagelijks betekent voor de reiniging van mijn ziel, doet mij in steeds dieper aanbidding en dankzegging stamelen: ‘Rabbi, U bent de Zoon van God. U bent de Koning van Israël!’” (De Triniteit in Israëls Godsbegrip).

“Ik geloof in God de Heilige Geest… omdat door Hem de gemeenschap mogelijk is met de Vader en met de Zoon.”  (De Triniteit in Israëls Godsbegrip).

Rottenberg spreekt in zijn geschriften niet vaak over de Heilige Geest. Uit de belangrijkste bron komt bovenstaand citaat, dat onderdeel uitmaakt van een omvangrijk betoog waarin hij aantoont dat de Heilige Geest een persoon is, een Goddelijke persoon, de derde persoon in de Drie-eenheid.

In een brief over zijn bekering stelt hij dat hij persoonlijk de werking van de Heilige Geest ervaren heeft “die mij vrijmoedigheid gaf om te zeggen: Ik ben met God verzoend door Zijn Zoon, Jezus Christus.” (A.R. Zalman-Marda, gezonden en teruggeroepen; Zie verder onder het kopje “Israël”).

De Drie-eenheid

Het laatste boek dat Rottenberg zou schrijven is in zijn geheel gewijd aan de Drie-eenheid: “De Triniteit in Israëls Godsbegrip”. De aanleiding was de situatie voor de Tweede Wereldoorlog met een kerk in Duitsland die naar de mening van Rottenberg zijn profetische verantwoordelijkheid verkwanseld had. Dit kwam volgens hem omdat de Triniteit niet meer beleden werd. Overigens versimpelt hij het triniteitsbeginsel niet en zegt hij dat het hier om het hoogste en heiligste gaat waarover de mens alleen maar kan stamelen: “Er is niets dat onze schamelheid zo ontdekt als de overpeinzing van een onderwerp als dit.” Het bewijs voor de Drie-eenheid wordt weliswaar in het Nieuwe Testament pas geleverd maar in het Oude Testament vindt Rottenberg veel aanwijzingen. Onder anderen het meervoudige woord Elohim dat gebruikt wordt om God aan te duiden.

In het genoemde boek legt Rottenberg ook uit dat het Triniteitsdenken niet vreemd aan het jodendom is; zowel dat van voor de verwoesting van de tempel als het latere jodendom. Hij verwijst daarbij naar de hypostasenleer van de synagoge en naar de Kabbala, in welke traditie hij zelf ook opgroeide.

Israël

Waar Rottenberg kritiek heeft op het jodendom van na de verwoesting van de tweede tempel is het Joodse volk het volk aan Wie God zijn beloften gegeven heeft. Uit die beloften en werking van God is ook de grote invloed van de Joden in de wereld te verklaren. God blijft hen trouw. “Waar is het volk dat een vernietigingsoorlog tegen Israël heeft gevoerd en bewaard bleef? Weet u niet dat de tegenstander van de Joden Gods tegenstander is?” (Het Semitisme en de West-Europese volkeren).

Gods houding is onveranderlijk. Hij heeft dit volk uitverkoren en geroepen en vanwege de eer van Zijn Naam blijft hij trouw aan zijn woord, ondanks het gebrek aan verdiensten. (A.R. Zalman-Marda, Joseph Zalman, een gezondene uit Israël).

Rottenberg beoordeelt Israël en haar godsdienst ten tijde van het Oude Testament positief, en dat dankzij de werking van de Heilige Geest. Deze openbaart zich in de geschiedenis van Israël. Het hele Oude Testament getuigt daarvan. Deze Geest rustte op Mozes, de richteren en profeten, onder wie ook de psalmist David en was zo Israëls leidsman.

Hetzelfde geldt voor Israëls toekomst: “Pas wanneer Israël Gods Geest in zich heeft wonen en werken, zal het hersteld worden…. Zo zien we hoe het hele verlossingsplan samenhangt met de werking van de Heilige Geest. Hij is de bron van leven, van wijsheid, van schoonheid en van bekwaamheid in Gods volk.” (De Triniteit in Israëls Godsbegrip).

Jodendom

Rottenberg’s beoordeling van het jodendom na de verwoesting van de tweede tempel was niet zo positief. Zijn kritiek gold zowel het orthodoxe als het liberale jodendom. Er was naar zijn mening maar een groep die uit echte Joden bestond.

“De enige Joden, die als zodanig onder hun volk niet meer erkend worden, zijn zij die Jezus als de enige Verlosser en Zaligmaker belijden... Joden-christenen van vaste overtuiging hebben deze erkenning trouwens nooit gevraagd of verlangd. Zij weten dat ze zich mogen rekenen tot ‘het overblijfsel naar de verkiezing der genade’ en als zodanig tot het enig ware Israël behoren. Al het andere behoort voorlopig nog tot de dorre doodsbeenderen. Totdat ook zij levend worden gemaakt.” (Het ontwaken van het Joodsche volk).

De aanleiding voor Rottenberg’s kritiek op het Jodendom van zijn tijd was waarschijnlijk gelegen in zijn pogingen de Joden in woord en geschrift te overtuigen van de Messias. Maar hij noemt in Sem en Jafeth ook een aantal concrete punten van kritiek:

Kerk en Israël

Rottenberg heeft weinig geschreven over de Kerk maar wel het een en ander geschreven tót de kerk. Hij probeert hen altijd op te wekken tot liefde en verantwoordelijkheid voor de Joden. Hij vond dat de kerk in haar geschiedenis te weinig had gedaan aan de bestrijding van het antisemitisme en was ontzet over het feit dat men hier zelfs actief aan had meegedaan.

Dit ondanks het feit dat de Kerk, geplant op de boom Israël en als Jafeth woonachtig in de tenten van Sem, deelt in de voorrechten van Israël en Gods trouw aan haar. De kerk behoort zich te gedragen als gast in de tenten van Sem. “Het hartebloed van het christendom is immers voortgekomen uit de aderen van de Joodse profeten en apostelen.” (Nederlands Gouden Eeuw en de Joden).

Rottenberg roept de kerk er zelfs toe op om een getuigenis uit te doen gaan tot de leiders van het antisemitisme om deze “boze weg te verlaten”. Wanneer ze dat niet doet dan zal dat haar eigen ondergang worden. Maar hij die Israël zegent wordt gezegend. (Het Semitisme en de West-Europese volkeren).

Een ander punt van kritiek van Rottenberg op de kerk is dat zij de evangelieverkondiging aan Israël vaak verwaarloosd heeft en aan buitenlandse zendingsgenootschappen heeft overgelaten.

Rottenberg heeft niet alleen geëvangeliseerd onder Israël. Zijn zendingswerk bestond voor een groot gedeelte uit ‘dialoog’. Van 1929 tot 1940 hield hij op verzoek van geïnteresseerde Joden maandelijks samenkomsten waarin hij voor hen aantrekkelijke onderwerpen besprak. Zijn biograaf A.R. Zalman-Marda merkt op dat het merkwaardig is hoeveel Joden daarop afkwamen. Blijkbaar was er, behalve felle vijandschap, ook iets dat hen zeer aantrok in deze ‘afvallige’.

Israël in de Kerk

Rottenberg nam het ook op voor de Joodse christenen. Hij weersprak de beschuldiging van zijn mede-Joden dat Joden door omkoping tot het christendom geleid zouden worden en dat de meeste Jehoediem Mesjichi’im uit de lagere milieus zouden komen. Dat laatste weerspreekt hij niet maar hij zegt dat als het Gods wil is om Zijn Koninkrijk van beneden naar boven te bouwen, met het minste het meeste te bereiken, niemand daar toch iets op tegen kan hebben. Een ander vooroordeel is dat deze Joden koel zouden zijn tegenover hun volk en geen nationaal Joods besef meer zouden hebben. Rottenberg ontkent ook dit niet geheel. Maar hij meent dat deze Joden supra-nationaal denken.

De staat Israël

Rottenberg zou de stichting van de staat Israël in 1948 niet meemaken. Hij heeft dit ook niet voorzien en keurde het Zionisme van zijn tijd af omdat het het kardinale punt miste: het streven naar geestelijk herstel. Rottenberg verwachtte de heroprichting van de Joodse staat pas onder de heerschappij van Messias Jesjoea. Gods onveranderlijke beloften stonden daar borg voor. Maar eerst moest Israël in zijn geheel komen tot de erkenning van de zonde die ze begaan had tegen de Messias door Hem te verwerpen en uit te leveren aan de heidenen om gedood te worden. Door het getuigenis aan Israël en door de christenheid tot dit getuigenis aan te vuren leefde hij in de hoop de wederkomst te verhaasten.

Joodse invloeden bij Rottenberg/Joodse identiteit

  1. Bewogenheid met het Joodse volk dat de Messias niet kan zien en zijn verlangen hen het evangelie te verkondigen.
  2. Verzet tegen antisemitisme, en daarmee samenhangend:
  3. Afwijzen van het rooms-katholicisme (vanuit zijn ervaringen met het Poolse antisemitisme).
  4. Verlangen naar nationaal geestelijk herstel van het Joodse volk, en daarmee samenhangend:
  5. De eschatologie van het Jodendom heeft hij na zijn bekering tot de Messias niet losgelaten.
  6. Levende toekomstverwachting.
  7. Het scherpzinnig redeneren, de pilpoel-methode, van de jesjivah (bijv. in het onderbouwen van de Triniteitsgedachte), aldus Tabaksblatt.
  8. Het gebruik van de Talmoed als bewijs (bijv. van de Triniteit).
  9. Het spreken over het Joodse volk in de wij-vorm.
  10. Opvatting over de Torah, nl. als gegeven alleen voor de Joden.

J. Akker


Bibliografie

Een volledige bibliografie en literatuurlijst is hier te vinden.


Externe link(s)


Dit artikel is geschreven onder verantwoordelijkheid van de Studiegroep Messiasbelijdende Joden van het Centrum voor Israëlstudies in Ede.


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!