G2960 κυριακός
behorend aan de Heer, betrokken op de Heer
Taal: Grieks

Onderwerpen

Kerken, Zondag,

Statistieken

Komt 2x voor in 2 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

kyriakos̱, bv.nw., TDNT 3:1095,486 van κύριος G2962;


1) behorend bij de Heer; 1a) κυριακον δειπνον het avondmaal behorend bij de Heer (1 Cor. 11:20); 1b) τη κυριακη ημερα de dag (behorend) bij de Heer, ie. de zondag (Opb. 1:10; Didachè 14.1; zie ook Ignatius van Antiochië, Aan de Magnesiërs 9:1 [110 n.C.]; Tertullianus, De Corona 3; De idololatria 14.7: ‘dies dominicus’); 1c) behorend bij een heer, meestal de keizer of de belasting (CIG2827 (Aphrod.)Supp.Epigr.2.567); 2) κυριακὴ οἰκία kuriakē oikia "Huis van de Heer" of ἐκκλησία κυριακή ekklēsia kuriakē "Samenkomst van de Heer" in de betekenis van Kerk (wat hiervan etymologisch is afgeleid; M. Philippa, lemma kerk; P.A.F. van Veen & N. van der Sijs, lemma kerk); 3) κυριακός, ὁ een geest opgeroepen via magie (PMag.Par.1.916);



Lexicon G. Abbott-Smith

Voor meer informatie: G. Abbott-Smith's A Manual Greek Lexicon of the New Testament (New York: Scribner's, 1922)

**† κυριακός, -ή, -όν (< κύριος), [in LXX: κ. φωνή (Συριακή φ., R), II Mac 15:36 A*;] 1. as freq. in Inscr. (LS, s.v.; Deiss., BS, 217 f.), of the lord or master, imperial. 2. of the Lord (i.e. Christ): δεῖπνον, I Co 11:20; ἡμέρα, Re 1:10. (Cf. λόγια κ., Papias, Eus., HE, iii, 39, 1; γραφαὶ κ., Clem. Alex., etc; for eccl. usage, cf. Soph., Lex., s.v.)†

Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon

Voor meer informatie: Henry George Liddell, Robert Scott, A Greek-English Lexicon (1940)

κῡρι-ακός, ή, όν,
  (κύριος) of or for an owner or master, Stud.Pal. 22.177.18 (2nd c.AD) ; but usually of the Roman Emperor, ὁ κ. φίσκος the fiscus, “CIG” “Corpus Inscriptionum Graecarum” “Corpus Inscriptionum Graecarum” 2827 (Aphrod.), “Supp.epigram” 2.567 (Caria (?)) ; κ. ψῆφοι, λόγος, “OGI” 669.13, 18 (Egypt, 1st c.AD) ; κ. χρῆμα “POxy.” 474.41 (2nd c.AD).
__II especially belonging to the Lord (Christ): K. δεῖπνον the Lord's Supper, NT.1Cor.11.20 ; ἡ K. ἡμέρα the Lord's day, NT.Rev. 1.10 ; τὸ Κυριακόν (i.e. δῶμα) the Lord's house, Edict.Maximiniap. Eusebius Caesariensis Scriptor Ecclesiasticus “Praeparatio Evangelica” 9.10.
__III substantive κυριακός, ὁ, spirit invoked in magic, “PMag.Par.” 1.916.

Synoniemen en afgeleide woorden

Grieks κύριος G2962 "God, eigenaar, meester, bezitter";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

KlussenKlussen