Kerken
ἐκκλησία G1577 "kerk, Gemeente, volksvergadering, vergadering van gelovigen", κυριακός G2960 "behorend aan de Heer, betrokken op de Heer",

Zie ook: Beeldbank, Artikelen Blog, Christelijke stromingen, Kerkgeschiedenis, Oosters-orthodoxe Kerk,

Kerk, een gebouw waarin christenen samenkomen, vaak ruimer gebruikt als aanduiding voor een denominatie van christenen.

Inhoud

Terminologie

Kerk van het Grieks kūrikón ‘huis van de Heer’ < Grieks kūriakón onzijdige vorm van het bijv. nw. kūriakós ‘van de heer’ of 'behorend aan de Heer', afgeleid van kūrios ‘heer’.

Bij de eerste christenen werd eerder gesproken van ἐκκλησία G1577 ekkli̱sia 'vergadering van gelovigen' of meer algemeen 'volksvergadering'.


Verschillende denominaties


Gebouw

Geschiedenis

In het Nieuwe Testament lezen we dat de eerste christenen in eerste instantie bijeenkwamen in huizen (Hand. 17:5; 20:20; 1 Cor. 16:19) of in de tempel (Hand. 2:46) of synagoges (Hand. 19:8), of andere openbare gebouwen, zoals de school van Tyrannus (Hand. 19:9). In de 2de eeuw werden eigen gebouwen in gebruik genomen, een van de oudste archeologische voorbeelden hiervan is de Huiskerk van Dura Europos, welke tussen 231-256 werd gebouwd (G.F. Snyder, p. 128). Deze gebouwen werden aula ecclesiae "vergaderhallen" genoemd. Andere voorbeelden zijn de Megiddo kerk in Israël, de Kathedraal van Etsjmiadzin in Armenië (300-303), de Grot van Sint-Petrus in Antiochië (Turkije) waarvan sommigen denken dat deze reeds ten tijde van Handelingen 11:25-27 was gebouwd. Archeologische opgravingen dateren echter de oudste gedeelte uit de 4de eeuw (C.E. Fant, p. 149). De meeste van deze kerken zijn verwoest tijdens de vervolgingen van Diocletianus, Galerius en Maximinus (ca. 293-305).

Met de komst van keizer Constantijn de Grote (280-377) waren deze christenvervolgingen over en kwamen er grotere gebouwen. Mede onder invloed van zijn moeder Helena werden er in Israël en andere plekken vele kerken en andere gebouwen opgericht op voor hen heilige plekken, bekend is de Heilig Grafkerk in Jeruzalem.

Reformatie

Tijdens de Reformatie zie we dat de functie van het kerkgebouw wordt gezien als een plaats van heiliging. Of zoals Luther het omschreef "die Christen mugen tzusammenkommen, bitten, predigt horen und sacrament empfahen". Calvijn beschrijft in zijn Institutie dat het kerkgebouw een plaats is van het gebed. "Gelijk dan God aan de gelovigen door zijn Woord de algemene gebeden beveelt, zo moeten er ook openbare kerken tot het houden daarvan bestemd zijn ...". Over beelden en dergelijke schrijft hij "En toch ben ik niet van zulk een bijgeloof bevangen, dat ik van oordeel ben, dat men in het geheel geen beelden mag dulden. Maar omdat de beeldhouwkunst en de schilderkunst gaven Gods zijn, verlang ik van beiden een zuiver en wettig gebruik (...) God af te beelden in een zichtbare gedaante houden wij voor ongeoorloofd, omdat Hij het zelf verboden heeft, en omdat het niet kan geschieden zonder ontheiliging van zijn eer." In de Confessio Helvetica Posterior (1566) wordt het volgende over de functie van een kerkgebouw geschreven "Hoewel God niet woont in tempels die door handen zijn gemaakt, weten wij toch uit Gods Woord en uit de heilige gebruiken, dat God en de plaatsen die aan zijn aanbidding zijn gewijd, geen gewone maar heilige plaatsen zijn en wie zich daarin ophoudt, zal zich eerbiedig en betamelijk gedragen, omdat hij zich immers op een heilige plaats bevindt, voor het aangezicht van God en zijn heilige engelen" (Confessio Helvetica Posterior, 18).

Daar het altijd om nieuwe gebouwen gaat wordt niets gesteld over het hergebruik van andere gebouwen. Hetzelfde zien we ook in latere eeuwen.

20ste eeuw - heden

Pas in de 20ste eeuw zien we een verandering, zagen we eerder dat het kerkgebouw een heilige plek was waar men God zocht, nu wordt de nuanceverandering gemaakt dat het een plek is waar God de mens wil ontmoeten. "We zouden moeten weten: hier is Eeredienst, hier komt God ons tegemoet, hier moeten wij Hem ontmoeten, hier gaat 't niet enkel om de preek van den een of anderen dominee, maar om de bediening van Gods Woord in den waarlijk sacramenteelen zin. ... En wij zouden met te dieper ernst kunnen zingen: God is tegenwoordig, God is in ons midden. wij zouden in een ruimte zitten, die waarlijk kerk is" (B. ter Haar Romeney, Het kerkgebouw, in: Handboek voor den Eeredienst, Rotterdam 1934, blz 19-37). Ook in moderne liederen zien we deze verandering, zoals "Heer wees welkom met Uw geest" (Opwekking 623) of "U bent welkom in dit huis" (Opwekking 660). Architectonisch veranderen de gebouwen, mede omdat ook de wet op de volkshuisvesting van kracht werd. Na de Tweede Wereldoorlog toen de Protestantse kerk voor de uitdaging stond om veel nieuwe kerken te (her)bouwen werd in het rapport 'Beginselen van Kerkbouw' opgenomen dat het "kerkgebouw de architectonische lofprijzing behoort te zijn, zoals de liturgie de telkens vernieuwde lofprijzing van de gemeente behoort te zijn. Liturgie en architectuur gaan hier parallel; beide zijn een".

Aan het einde van de 20ste eeuw zijn veel discussies over het kerkgebouw te vinden die verwijzen naar de Bijbelse wortels van het denken over de samenkomst van de gemeente. Regelmatig wordt verwezen naar de passage in Johannes 2:13-22 waar Jezus spreekt over het afbreken van de tempel en het weer opbouwen van een andere (nl. van Zijn eigen lichaam, cf. vs. 21). In dit kader ziet men de mens als de tempel, het heiligdom, en het stenen gebouw slechts als de plek waar men samenkomt.

Afstoten kerkgebouw

Door de toenemende secularisatie zien we dat steeds meer kerkgebouwen leeg komen te staan en ter koop worden aangeboden. In het rapport Een protestantse visie op het kerkgebouw (2008) worden enkele aanbevelingen gedaan: 1) Hergebruik van een protestants kerkgebouw door een andere christelijke gemeenschap uit de oecumene zou door een protestantse gemeente moeten worden toegejuicht; 2) Hergebruik van een protestants kerkgebouw aan een binnen het christendom fungerende gemeenschap, waarmee geen enkele kerkelijke verbondenheid bestaat, vraagt een grondige doordenking van de lokale, regionale en landelijke kerk. Juist omdat het ‘kerkelijke’ karakter van het gebouw overeind blijft, is het de vraag of oppositionele of controversiële bewegingen de oorspronkelijke bedoeling van het gebouw en zijn geloofsgemeenschap niet in gevaar brengen. 3) Hergebruik van een protestants kerkgebouw door groepen van andere godsdiensten (behoudens het Jodendom) impliceert een vervreemding van oorspronkelijke bedoeling van het gebouw. … Kerkelijk gesproken ligt deze vorm van hergebruik weliswaar sterk afhankelijk van lokale verhoudingen in een stad of een dorp, maar vooralsnog, gezien de huidige ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving, niet voor de hand.

Bij het afstoten van een synagoge zien we dat vaak een regeling wordt getroffen met de koper dat hier geen activiteiten worden ontplooid die tegen de oorspronkelijke doelen van het gebouw ingaan (bv. slachthuis, disco, etc.). In de praktijk blijkt dat deze regelingen slechts ten dele of geheel niet worden gehandhaafd.

Betrekking heidens gebouw

Bij het zoeken naar een gebouw merken we dat kerkgemeenschappen soms een gebouw betrekken welke eerder als gebedshuis of tempel van een heidense religie diende. Sommigen zien hier absoluut geen kwaad in, terwijl anderen zeer huiverig zijn en, als ze dan toch besluiten om in zo’n gebouw te gaan, allerlei reinigingsrituelen te houden.

We kunnen ons afvragen of over de betrekking van zo'n gebouw iets in de Bijbel wordt beschreven. In het Oude Testament lezen we met regelmaat, in navolging wat in Deuteronomium 12:2-3 staat opgedragen, dat richters (Richt. 6:28) en koningen (2 Kon. 10:26; 18:4; 23:14; Jer. 43:13) heidense tempels vernietigen, nergens lezen we dat een heidense tempel wordt gereinigd. Wel lezen we dat de verontreinigde tempel van God wordt gereinigd (2 Kron. 29:26ev.) of wordt hersteld/herbouwd (Ezra 6, Neh. 8ev.). In het Nieuwe Testament wordt niet gesproken over het reinigen van heiligdommen. Wel dat de eerste christenen bij elkaar kwamen in publieke gebouwen (Hand. 19:9), maar nooit in heidense heiligdommen. Opmerkelijk is de passage over de synagoge in Kapernaum waar geen krachtig Woord meer werd gepredikt en een bezeten persoon aanwezig is (Mark. 1:21; Luk. 4:31), geeft dit een zwakke gemeente aan incl. de gevaren en gevolgen daarvan?

Toch zijn er enige teksten waaruit lijkt dat het geen probleem is. Als eerste de vraag van de Syriër Naäman, als die tot geloof is gekomen en aan de profeet Elisa vraagt hoe hij moet reageren als zijn koning hem dwingt om te knielen in de tempel van Rimmon (2 Kon. 5:17-19), waarop Elisa zegt dat het is toegestaan. Er is hier echter sprake van overmacht. Een tweede passage is 1 Corinthiërs 8 als Paulus het heeft over het eten van offervlees en waar sprake is dat iemand in een afgodentempel aanzit (1 Cor. 8:10), op zich ziet hij geen problemen in het eten van het vlees, maar dat zo een iemand dit beter niet kan doen voor de zwakken van de gemeente. Paulus gaat zelfs zover dat hij stelt "Door zó te zondigen tegen de broeders en [hen in] hun geweten, dat zwak is, te treffen, zondigt u tegen Christus." (1 Cor. 8:12). Bovendien gaat het in deze teksten over het bezoeken van zo'n tempel en niet om die in bezit te nemen en daar kerkdiensten te houden. Een paar hoofdstukken erna schrijft hij dat afgoden en het voedsel van afgoden niets is, maar komt toch met "Nee, [ik zeg dit] omdat wat de heidenen offeren, [zij dat] aan demonen offeren en niet aan God, en ik wil niet dat u met de demonen gemeenschap hebt" (1 Cor. 10:20), waaruit blijkt dat Paulus het niet helemaal als niets beschouwt en terdege rekening houdt met de invloed van demonen.

In de na-Bijbelse periode zien we dat onder keizer Constantijn op aanwijzen van zijn moeder Helena, veel heidense heiligdommen worden omgebouwd tot kerken of christelijke heiligdommen, waarvan oa. de heilig grafkerk in Jeruzalem (waarbij in tweede instantie de heidense tempel van Aphrodite werd verwoest omdat de priesters weigerden om een heidens gebouw te betreden) en de geboortekerk in Bethlehem de twee bekendste zijn. Opvallend is dat bij deze kerstening naast allerlei reinigingsriten en inwijdingen ook veelal heidense gebruiken worden meegenomen, naast het feit dat daar nauwelijks tot niet meer uit het Woord gepreekt wordt. Een gevaar welke we ook reeds in het Oude Testament lezen, dat het volk goden of heidense gewoonten overnamen. Waarbij we zien dat zaken die in eerste instantie goed leken tot een valstrik werden (cf. Deut. 12:30), zoals bij Gideon (Richt. 8:27) of de koperen slang van Mozes (Num. 21:8-9; 2 Kon. 18:4). In het laatste geval zien we dat om dit op te lossen wederom het vernietigd werd.

Christenen die niet direct onder het gezag stonden van de keizer of RK-kerk bleven doorgaan met het vernietigen van heidense gebouwen, om eventueel pas daarna op die plek een kerk te bouwen. Sulpicius Severus (c. 363 – c. 425) schreef in zijn Vita over Martin van Tours: "Waar hij ook de heidense tempels vernietigde, daar gebruikte hij onmiddellijk om kerken of kloosters te bouwen" (Sulpicius Severus. Vita, ch xiii). In China zien we ook dat christenen heidense tempels en gebouwen eerst vernietigden alvorens ze daar een kerk bouwden. Een mooi voorbeeld is het volgende hoe dat in zijn werk ging: "In one of these villages there was a heathen temple; which [although] small, [was] very beautiful, clean and well constructed. The Christians desired that, [and] the father sought a way and occasion to raze it to the ground, [and] destroy it, so that from its ruins, and materials [one] could rebuild and enlarge the Church of this very same village, which was small and limited. [....] And soon after, both young and old, united with their hearts full of great zeal, and fervour, razed the Temple to the ground; and with these materials built a worthy, and beautiful Church" (Sofia Diniz, "Jesuit Buildings in China and Japan, A Comparative Study" in Bulletin of Portuguese - Japanese Studies, núm. 3, december, 2001, pp. 100-128).

Bij Joden na de vernietiging van de tempel (70 n.C.) zien we dat die de afgelopen eeuwen of in nieuwe synagoges bijeenkwamen, of dat ze op neutraal terrein bijeenkwamen. Pas in later eeuwen zien we dat ze soms ook een kerk overnamen (bv. in Deventer), gevallen van overname van gebouwen van andere religies is niet bekend. Wel dat soms, door overheidswege aangegeven of gesteund, er synagoges (en kerken) in een multireligieus gebouw zijn (bv. op vliegvelden).

Geestelijke reiniging gebouw

Bij de verschillende kerkgenootschappen zijn diverse inwijdingsrituelen van een kerkgebouw. De Rooms Katholieke kerk gebruikt wierook vermengt met balsem, welke is gewijd door een bisschop, door alle ruimten en strooien deze met een speciale lepel op de grond. Ook hebben ze gewijd water (gezegend door de Paus of een bisschop) waarmee, met een speciale kwast van hysop, de ruimten worden besprenkeld (Cornelius Ludovicus van Wijkerslooth, Beschrijving van de plegtstatige inwijding der St. Antonius-kerk, gelijk die plaats zal hebben te Breda, op den 12. December, 1837, p. 2). De oudste vermeldingen zijn uit de 5de eeuw en hebben dan betrekking op nieuwe gebouwen (Eusebius, Hist. Eccles. lib. x. cap. 3) die op deze manier aan God worden opgedragen.

Pas in de 15de-16de eeuw zijn er de eerste vermeldingen om (periodiek) land en gebouwen te reinigen en te bevrijden van demonen (G.R. Smith, The Church Militant: A Study of “Spiritual Warfare” in the Anglican Charismatic Renewal, p. 39). Binnen Charismatische kerken zien we soortgelijke reinigingsrituelen, waarbij meestal ook uitdrijvingsspreuken worden gezegd door de voorganger en/of oudsten. De vraag is of dit voldoende is, daar in sommige gevallen bekend is dat na ingebruikname van een heidens gebouw er vreemde dingen gebeurden, zoals dat iedere dag alle stoelen en banken in een hoek opgestapeld waren, dat symbolen als kruizen en vaatwerk waren omgegooid. In de 7de eeuw werd door Columbanus een heidens gebouw veranderd in de kerk van de abdij van Luxeuil (Frankrijk). Na de opening stonk de kerk alsof er rottende lichamen waren en zagen de bezoekers een demon vliegen (Jonas, The Life of St. Columban, §27). In Gaza werd een tempel van Aphrodite omgevormd tot kerk en het standbeeld van de afgod werd omgevormd tot een beeld van Jezus. Toen Markus de Diaken (5de eeuw) daar kwam en in ontzetting tot God bad, brak het standbeeld en werden de dragers van het beeld gedood door de brokstukken van het standbeeld (Markus de Diaken, Leven van Porphyry, 70-71).

Hedendaagse christenen die zich met exorcisme bezig hebben gehouden zoals Ds. Vreugdenhil erkennen dat er een vloek over een gebouw kan liggen (Ds. Vreugdenhil, Geestelijke strijd in de kracht van Jezus) en voorstanders van reinigen geven aan dat de duisternis niet altijd zomaar ineens verdwijnt en dat dit niet alleen langere tijd kan duren maar zelfs eerst nog erger kan worden (dr. W.C. van Dam, p. 34-35; Ds. J. Minderhoud, p. 46, 51), terwijl anderen wijzen op het belang van wegdoen van voorwerpen, alles verbranden en vernietigen, en waarbij het lang niet altijd met één gebed opgelost is (J. Verduijn, p. 155-156; dr. W.C. van Dam, Mensen worden bevrijd). We zien dit in de geschiedenis van dominee Blumhardt die te Möttlingen in een zware geestelijke strijd terechtkwam, rondom zijn gelovige catechisant Gottliebin, welke slachtoffer werd van demonische overheersing, nadat ze samen met haar broer en zussen een huis ging bewonen, waar vroeger magie werd bedreven. Pas na 2 jaar gebed en strijd kwam er een definitief einde aan de demonische overheersing (C. Blumhardt, Die Krankheits- und Heilungsgeschichte der Gottliebin Dittus in Möttlingen) en dan hebben we het nog niet over het betrekken van een heidens gebouw als kerk.

Reiniging personen

Bij de reiniging van de tempel ten tijde van Ezra en Nehemia, maar ook bij Hizkia, zien we dat de reiniging in eerste instantie slaat op reiniging van de personen en pas in tweede instantie op de fysieke reiniging van het gebouw. Over de inwijding wordt alleen gesteld dat er offers werden gebracht en niets over reinigingsrituelen zoals, hierboven beschreven, sommige kerkgenootschappen doen. Een van de redenen waarom wordt gesproken over reiniging van de personen is dat deze veelal eerder aan syncretisme deden, naast het vereren van God ook andere heidense goden of symbolen. We moeten ons dan ook afvragen als een gemeente een ander gebouw betrekt waar eerst een heidense godsdienst werd beleden of hier bezwaren voor zijn. Uit het Oude Testament zien we dat deze altijd werden vernietigd, terwijl de eerste christenen altijd of in de synagoge, of op neutraal terrein bijeenkwamen.

Conclusie

Concluderend mogen we stellen dat in de Bijbel steeds de nadruk ligt op de reiniging van personen voordat een gebouw van God (her)ingewijd wordt. Ook voor moderne gemeenten moet dit dan ook een belangrijk uitgangspunt zijn.

Mocht men besluiten tot ingebruikname van een gebouw, dat eerst voor een heidense religie werd gebruikt, dan worden de gemeenteleden, ieder persoonlijk, wel gedwongen om een keuze te maken of ze zich Bijbels en geestelijk kunnen verantwoorden om naar zo'n gebouw te gaan. Het moge duidelijk zijn dat als een gemeente voor zo'n keuze wordt gesteld, dat als eerste alle gemeenteleden de Bijbelse en geestelijke aspecten hierover bestuderen alvorens enig besluit wordt genomen om verdere stappen te zetten om zo'n gebouw aan te schaffen. Daar in de meeste gevallen de zwakken niet voor hun rechten zullen opstaan is het te adviseren om juist vanwege hen te kijken naar andere alternatieven.


Aangemaakt 18 juni 2017, laatst bijgewerkt op 26 november 2018


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!